No second chance
Terwijl hij de la opent en wat spullen opzij schuift, ziet hij het liggen. Hij pakt het op en weer schiet het besef door hem heen dat het echt het beste is voor iedereen.
Koen voelt de ogen in zijn rug prikken als hij door de rijkversierde en gezellig drukke winkelstraat sjokt. Hij draait zich om en ziet de verwachtte, starende blikken. Wat kijkt iedereen nou? Kan hij dan nooit meer normaal leven? Weten ze dan niet dat het hem spijt? Natuurlijk, het is onvergetelijk wat hij deed, maar moet hij daar dan zijn hele leven mee verder leven? Moedeloos draait hij zich weer om en sjokt verder. Waarom toch, dit alles? Waren de afgelopen maanden niet erg genoeg?
En was de korte vreugde in Hém, die hij gehad dacht te hebben, dan toch niet echt geweest?
Zijn gedachten dwalen terug naar een groot aantal maanden eerder..
***
Met een grote klap viel de deur achter hem dicht, en was hij alleen. Alleen, met z’n angst. Trillend liet hij zich op de grond zakken. Angst, verdriet, woede, spijt en opluchting streden om voorrang. Angst voor de toekomst, verdriet en spijt van alles wat gebeurd was, woede en opluchting dat hij de afgelopen uren overleeft had, en nu alleen was.
Hij keek om zich heen en bedacht dat de ruimte waarin hij zich bevond, precies weerspiegelde hoe hij zich voelde. Ook de atmosfeer deed geen enkele poging hem wat vrolijker te stemmen.
Terwijl hij probeerde een houding te vinden, passeerde de afgelopen weken de revue.
De wanhoop, de woede en de angst. Alles kwam weer terug:
- Kom maar bij papa! Zullen we samen spelen? Wat zullen we gaan doen? Nee, niet gaan huilen, daar kan papa niet tegen. NEE! Niet huilen zei ik toch? NEE! NEE! NEE ! -
En toen, in een flits een aansteker en een klein volmaakt vingertje. Die daarna niet volmaakt meer was.
Een seconde later komt hem weer een andere situatie voor ogen:
- Hé kleine jongen van me, mag papa jou in bad doen? Gaan we samen een waterfeestje houden..?
Kleertjes uit, luier uit. Water in het badje en klaar is papa. Nu kun je in bad… -
En toen dat gillen, dat rode, bijna paarse hoofdje. De angst. De spijt.
En die andere keer;
- Kom je bij papa op z´n knie? Dan gaat papa paardje spelen. Eerst een damespaard, dan een herenpaard, dan een boerenknol en dan. Zomaar in een KUIL.-
En toen die klap, de doodse stilte. De wanhoop, het gewillig meebewegen van het hoofdje toen hij een poging deed, z’n zoontje zelf z’n ogen weer open te laten doen. En dat afgrijselijke geluid van de sirene´s. -
Met een schok was hij toen terug gekomen in de realiteit. Wat had hem bezield? Waarom had hij dit gedaan?
En toen die weg hierheen. Constant geplaagd door schuld, achterna gezeten door de ogen van Marieke, het hoofdje van Tom en de gillende sirenes. Na een lange weg van formaliteiten, tig keer zijn verhaal doen en vele lange, verschrikkelijke uren van wachten en niets doen, was hij in dit gebouw terecht gekomen. Niet hier, waar hij nu was. Helaas niet. Liever dacht hij niet aan de afgelopen uren.
Wat had hij verwacht? Dat hij hier, tussen z’n ´soortgenoten´ meeleven zou krijgen? Wat een giller. Had hij dat echt verwacht?
Ook had hij namelijk zijn verhaal gedaan. Had hij maar om zich heen gekeken. Had hij die blikken maar eerder opgemerkt. Maar nee, hij met zijn stomme kop had zonder iemand aan te kijken zijn verhaal verteld. Nou, dat had hij geweten. Hij was nog niet uit gesproken, of de hele groep stond om hem heen. Met woede en minachting had ééntje van de groep, waarschijnlijk de leider, met fonkelende ogen gezegd: “Jij vieze, vuile, kinderbeul. We hoeven jou hier niet! Durf je wel hè, bij zo´n kleintje. Ben jij nou een vader? Ben jij nou een vent? De dood! Dat is wat je verdient!” De leider had hem bij zijn keel gegrepen. Doodsangsten had hij uit gestaan. En toch, met opperste verbazing had hij ze aangekeken. Deze grote criminelen, drugsdealers ja zelfs moordenaars, minachtte hem? Deze mannen, die heel wat op hun geweten hadden, hadden zo te merken een zwak voor kinderen? Niet te geloven. Nooit geweten.
Gelukkig voor hem, had deze man hard genoeg geschreeuwd om de bewakers op de gangen te waarschuwen. Al snel was er een bewaker gekomen om hem mee te nemen. Maar hij had gevoeld, dat hij hem het liefst gewoon had overgeleverd aan deze brute kerels. Langzamerhand was hij tot het besef gekomen dat hij werd gezien als een enorme misdadiger.
Terwijl hij werd meegenomen had hij de vele ogen in z´n rug voelen prikken. Langs elke cel waar hij was gekomen, was hij met woede en minachting nagekeken. Natuurlijk, iedereen had het gehoord!
Zo bracht hij maanden door. Eten, slapen, een enkele keer bezoek. En als hij naar buiten mocht, moest hij altijd alleen. Niemand van de andere gevangenen wilde bij hem in de buurt komen.
Wat voelde hij zich eenzaam. Iedereen had hem afgeschreven. Kans om dingen uit te leggen kreeg hij niet. Hij was voor het grootste gedeelte toerekeningsvatbaar , dus hij had het expres gedaan, zo dacht iedereen.
En hij had juist zo´n spijt! Zo’n enorme spijt! Hij wilde alles wel doen, om de tijd terug te kunnen draaien.
Bidden kon hij niet meer. God hield vast ook niet van mensen die kinderen mishandelden.
Als het besef van tijd was hij kwijtgeraakt. De dagen regen zich aan één.
En toen hij op een dag weer zat de niksen in z’n cel hoorde hij een stemmetje. Een heel zacht stemmetje. En dit zong iets. Hij liep naar de deur om het beter te kunnen horen. Heel zacht en zuiver klonk het;
… voor Hem was géén plaats meer
in herberg of huis
Zijn wieg was een kribbe
Zijn troon was een kruis!
Hij wist nog precies wat er toen met hem gebeurde. Hij was op z’n knieën gevallen en schreeuwde: God! God! Deed u dit ook voor mij? Hij beloofde alles te doen wat God van hem zou vragen. Zelfs als dat zou betekenen dat hij alles kwijt was.
***
Niet ver van de gevangenis komt Julia de keuken binnenrennen:
- Mam! Mam? Waar bent u?
- Hier lieverd.
- Mam ik ben in de gevangenis geweest. En ik heb daar gezongen!
- Wat zeg je me nu? Gezongen in de gevangenis?
- Ja mam, ik speelde op straat en toen ik de gevangenis zag dacht ik dat die mensen daar misschien ook wel graag van de Heere Jezus zouden willen horen.
- Wat lief van je, maar mocht je zomaar naar binnen?
- Ja hoor, ze vonden het heel lief dat ik dat ging doen. Al vonden ze het volgens mij wel een beetje raar.
En weet u, ik hoorde iemand schreeuwen. Hij riep: God! God! Ook voor mij?
Heeft die man nu een nieuw hart?
- Meisje, ik denk niet dat het met een nieuw hart zo makkelijk en snel gaat. .
- Waarom niet dan? Weet u, ik hoop dat de vader van Tom en Claudia, uit de kerk, het ook gehoord heeft. Ik vind het zo zielig dat hij in de gevangenis zit.
- Meisje, ik denk vast dat hij het wel gehoord heeft. Zullen we nu nog even voor nieuwe laarzen gaan kijken?
Het is enkele weken na Julia’s bezoek aan de gevangenis. Koen is vrij, al bijna twee weken. Of nou ja, in vrijheid gesteld. Hij voelt zich immers verre van vrij. Over waar hij komt wordt hij met de nek aangekeken. Vergeving? Dat woord kent niemand hier, lijkt het wel. Zelfs zijn vrouw, wil niets meer van hem weten. Dus ziet hij Claudia ook bijna niet.
Terwijl Koen verder sjokt door de winkelstraat denkt hij aan zijn belofte aan God. Wat is het moeilijk die te houden, als de omgeving absoluut geen vergeving toont. Wat heeft hij dat meisje, die zo ontzettend mooi zong, op dit moment nodig!
En morgen, morgen is het 1e kerstdag. Hij wil graag naar de kerk. Maar hij vind het ook zo moeilijk. Waar is God nu? Waarom bood God hem toen een strohalm en neemt hij die nu weg?
Het is al laat en al helemaal niet meer zo druk op straat als hij naar huis terugkeert. En het is nog veel later als hij pas in slaap valt. ’s Nachts wordt hij gekweld met een vreselijke droom:
Hij is op een begraafplaats. Het is donker en heel stil. Ineens wordt de stilte verbroken door gehuil.
Hij ziet zijn vrouw zitten bij een klein wit kistje. Heel voorzichtig sluipt hij dichterbij, om te zien wie er in de dat kistje ligt. Als hij z’n zoontje in dat kistje ziet liggen schrikt hij enorm. En als hij op kijkt, is het gehuil gestopt. Naast het kistje ligt het lichaam van zijn vrouw.Huilend wordt Koen wakker. Gelukkig. Het was maar een droom. Tom leeft nog. Hij heeft wel een tijdje in het ziekenhuis gelegen in verband met een hersenbloeding, maar verder gaat het, zover Koen weet, goed met hem.
Het is laat, nou ja eerder vroeg, vóór Koen weer in slaap valt.
Het is dan de volgende ochtend al laat als hij wakker wordt, zodat hij zich nog moet haasten om op tijd in de kerk te komen.
Tijdens de dienst valt alles van hem af. God biedt Zichzelf aan hem aan door middel van Zijn Zoon. Wat doet het dan ook ontzaggelijk pijn als hij na de kerkdienst wéér geen enkel blijk van meeleven of begrip krijgt. Enkel die minachting.
***
Enkele straten verder komt Julia thuis uit de kerk.
- Mam! De papa van Tom en Claudia was ook in de kerk! Wat zag hij er zielig uit hè?! Zullen we vragen of hij morgen uit de kerk bij ons komt?
- Kind, ben je gek geworden? Daar beginnen we niet aan hoor! Wat moet iedereen dan wel niet van ons denken?
- Maar mam..
- Nee Julia, ik zei nee en dan blijft het nee.
Julia mokt nog even maar haar gezicht klaart al snel weer op als ze zegt:
- Dan ga ik een kaart maken voor die meneer.
Tja, dat kan moeder niet verbieden.
Als Koen de volgende ochtend weer op weg is naar de kerk, knaagt er wat van binnen. Hij denkt aan vanochtend. Toen hij de la opende, wat opzij schoof en het wapen zag liggen.. Hij had het opgepakt en had weer beseft dat het misschien toch het beste zou zijn voor iedereen.
Maar zijn belofte aan God dan? God had hem er toch op gewezen dat Jezus juist voor zondaren op aarde was gekomen? En dat Hij er voor een ieder wil zijn die naar Hem vlucht met alle nood? Óók als dat onmogelijk lijkt. Weer was de kerkdienst als een oase. En weer kwam naderhand, de klap. De klap dat hij ongewenst was. Had niemand dan opgelet tijdens de dienst?
De la van z’n nachtkastje verscheen op zijn netvlies. Meteen probeerde hij het ook weer weg te duwen. Nee, de duivel mocht niet winnen. Maar het idee leek wel gebránd te zijn op zijn netvlies.
Zo worstelde hij de dagen tot Oudejaarsdag door. Het enige waar hij zich nog kon vastklampen was het Kindje Jezus. Én het idee dat hij maar niet uit zijn hoofd kreeg.
Oudejaarsavond. Dan zou hij het uitvoeren. Jezus zou hem toch wel begrijpen? En niemand zou hem missen, toch?
Het is Oudejaarsavond. Wat er precies fout ging, is en blijft een raadsel.
Maar toen Julia, Koen ’s avonds miste in de kerk en daarom haar zelfgemaakte kaartje met daarop de tekst: Komt u morgen bij ons koffiedrinken? even zelf ging brengen, kreeg ze te horen dat Koen niet meer leefde. Er was die avond brand uitgebroken bij de buren van Koen. Carla van 3 was daar als enige in huis geweest. Koen heeft de 3-jarige Carla nog kunnen redden. Zichzelf niet meer. God nam hem weg. Vóór hij die vreselijke daad zou kunnen begaan.
Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen,
spreekt de HEERE. (Jes. 55:8)
<!--[if !supportLineBreakNewLine]-->
<!--[endif]-->